Honden met strepen
          Chouffe
en
Chita  
                                                                                                          www.langharen.nl

Historie.

In 1875 werd door Nimrod (Kon. Ned. Jachtvereniging) een beschrijving van de "inlandsche herder' in een keurboek vastgelegd. In 1890 werd op de eerste Cynophilia tentoonstelling voor het eerst niet de “inlandsche” maar de “Hollandsche” herdershond gepresenteerd: Wolf.

Op 21 april 1898 vond er een gecombineerde Nimrod-Cynophilia tentoonstelling plaats waarop 17 Hollandsche herdershonden verschenen. Wat men van 1898 af tot 1902 op de tentoonstelling te zien kreeg was een mengelmoes zonder eenheid. Op 12 juni 1898 kwamen 17 liefhebbers van deze honden te Utrecht bijeen om te vergaderen over het ras. Na bespreking en goedkeuring werden de raspunten vastgesteld.

logo nhc

De Nederlandse herdershonden Club (NHC) was opgericht.

Bij de eeuwwisseling zien wij een stijgende belangstelling voor ons nationale herdershondenras. Al gaan de "kortharige" meer en beter vooruit dan de "ruig - en langharige". In de eerste raspunten (1898) onderscheidde men o.a. zes haar-variëteiten: kortharige, middelharige, langharige met staand haar, langharige met liggend haar, stekelharige en ruwharige. Er werd toen al gepleit voor drie haar variëteiten. Over de beharing, kleur en schofthoogte bleven de meningen verdeeld. In 1906 werden de zes variëteiten teruggebracht tot de huidige drie. In 1908 werden de raspunten herzien. Er werd besloten dat wit, hoe gering ook, niet toegelaten werd. De kleur van de kortharen uitsluitend gestroomd (zilver of goud). De ruwharen blauwgrijs, peper en zout en gestroomd, absoluut niet geel, rood bruin of roodbruin. De langharen gestroomd of kastanjebruin.

Niet alleen zijn uiterlijk veranderde maar ook zijn leefmilieu. Hij werd gebruikt als herdershond, politiehond, oorlogshond en verdedigingshond maar ook als huishond.

In de tijd tussen 1920 en 1932 wordt er echter regelmatig op gewezen dat onze Hollanders dreigen te verdwijnen. Dit bij gebrek aan belangstelling of goed fokmateriaal. Er werd dan voorgesteld om de korthaar op te geven om alle aandacht te kunnen geven aan de ruwhaar of men stelde voor de drie variëteiten samen te smelten tot één. Maar ondanks de somberste geluiden hebben de korthaar en de ruwhaar het toch steeds weer weten te redden, daarbij maakte men gebruik van honden van het platteland (overwegend uit Brabant) en van onbekende afstamming. In de jaren dertig leefde sterk het idee om te kruisen met Belgische kort - en ruwharen, behorende immers tot hetzelfde oorspronkelijke landslag. Mede daarom werd in die tijd ook wel eens voorgesteld om te spreken over “Brabants Herder”. Het is bij het idee gebleven.

Omstreeks 1930 kwam er wat meer leven in de fokkerij. De Hollandse Herder kwam in Brabant veel voor en diende als bewaker van huis en erf.

In 1938 kwam de N.H.C. met de herziene raspunten: middelgrote, middelzware, zelfbewuste, flink gespierde hond, krachtig en symmetrisch van bouw, steeds oplettend en in beweging, met een levendig temperament en een intelligente uitdrukking...

logo_nhc

Tegenwoordig zijn er in Nederland  ongeveer: 1500 korthaar-, 600 langhaar- en 400 ruwhaar Hollandse Herders.

Veel te weinig natuurlijk. De belangstelling in het buitenland voor de "Hollander" neemt gelukkig toe.